het grote boekexperiment

Je kinderen zijn je kinderen niet

StefSwinnenOp een mooie pinksterdag

Ze is vier en zit, opgedirkt en uitgedost als de prinses die ze later met zekerheid zal worden, klaar in het autostoeltje achter mij. Vol vertrouwen in een voorspoedige reis van een halfuur laat ze haar gordel vastklikken en buigt ze naar voor om mij een kusje te geven. “Klaar om naar bompa en bomma te rijden?”, vraag ik haar retorisch. Ze knikt zelfverzekerd en kijkt me aan met een blik van: ja, papa, stap in en stel geen overbodige vragen. Ik doe wat haar ogen mij gebieden en draai de contactsleutel om.

Tijdens de rit blijkt opnieuw het grenzeloze geloof dat ze in haar vader heeft. Ze maant me aan om de zwarte auto voor ons voorbij te steken, zonder enig besef van de draagwijdte van haar vraag. “Dan rijd ik sneller dan hier mag. Ik doe al 120, schatje”, antwoord ik haar, terwijl mijn nek zich tot in een nog net veilige hoek draait. Ze snuift, alsof ze mij een aansteller vindt en opnieuw gehoorzaam ik. Een tijdje blijft ze stil. Ze heeft blijkbaar alle voorbijrijdende wagens geobserveerd, zo blijkt uit haar volgende vraag, die me op mijn beurt doet glimlachen: “Gaan al die auto’s ook naar mijn bompa?”

De kort opeenvolgende fait divers hebben in mijn hoofd een stroom van associaties in gang gezet, die zich van het ene vraagteken naar het andere laveert. Hoelang zal het nog duren eer mijn jongste dochter haar vertrouwen in mij verliest? Is zij echt het kind van de laatste kans voor mij als papa? Wat moet ik vandaag doen opdat ze mij als veertienjarige niet de rug toekeert? Tu quoque filia mea? Refereert ze nu echt met de woorden mijn bompa aan mijn vader, die vader die ik als veertienjarige minachtend de deur in het gezicht gooide met het vaste voornemen hem nooit meer te zien? Ik bleef hooguit een uur weg en stond dan weer voor de deur die ik net had
dicht gesmeten. Zo ging dat toen.

Twee jaar geleden – op 20 mei – sloeg mijn zoon van veertien ook een deur dicht. De deur van het tuinhek dit keer en niet in mijn gezicht, maar in het gezicht van zijn twee jaar oude halfzus, die huilend zijn naam riep. Aan het zelfvertrouwen van diezelfde meid, die nu in de wagen de auto’s observeert, is het duidelijk dat ze aan de situatie geen trauma heeft overgehouden, maar voor mezelf weegt het vonnis dat ik toen kreeg nog steeds als een molensteen op mijn schouders. Veertien jaar lang deed ik mijn uiterste best om een andere vader te zijn, dan diegene die mij het leven zuur had gemaakt, maar mijn inspanningen loonden niet. Ik was een gescheiden vader en mijn kind is nog steeds niet teruggekeerd. De mama kwam hem ‘redden’, zei ze aan de telefoon, en nam hem mee. Zijn vier jaar oudere broer zou hem volgen en bracht mij daarvan per sms op de hoogte. Even leek het een complot tegen de veel te strenge vader. Zo gaat dat nu.

We zijn ondertussen bij mijn vader en moeder aanbeland en terwijl mijn dochtertje bijna op het gevoel de weg vindt door mijn ouderlijke huis, slof ik haar achterna. Het voelt nog steeds vreemd aan om mij bij deze mensen, met wie ik zo vaak overhoop lag, op mijn gemak te voelen, maar dat weet zij niet. Sinterklaas komt ook bij bomma en bompa en dat is wat nu telt. Later zal ze afscheid moeten nemen van de Sint en zal er haast ongemerkt een proces van rouw en loutering intreden.

Drie dagen na het vertrek van mijn zonen, werd het Pinksteren en begon mijn louteringsproces. Vier keer na elkaar luisterde ik naar Op een mooie pinksterdag, het musicallied waarin Annie M.G. Schmidt in vijf strofen treffend beschrijft hoe de protagonist/vader evolueert van mooie held en baas tot hypocriet en lul. De Griekse tragedies, het beroemde gedicht van Kahlil Gibran en ook het liedje van Annie M.G. Schmidt: een voor een maken deze culturele uitingen over de hele wereld ons  duidelijk dat onze kinderen, net als die van alle andere zoogdieren, hun nest verlaten en dat dat niet altijd op een elegante manier hoeft te gebeuren.

Een paar maanden later zouden deze wijsheden nog worden aangevuld met een oude Turkse parabel. Om de pijn van het vertrek van mijn kinderen te vergeten, hadden mijn vrouw en ik besloten om met haar kinderen en onze dochter een last minute naar Turkije te boeken. Tijdens een geleid bezoek daar maakten we kennis met Mehmet, een jonge gids die in Nederland vlekkeloos onze taal inclusief noordelijk accent had geleerd. Tijdens een busrit – de natuurbeschrijvingen en de weetjes over Attaturk waren op – begon hij plots over de relatie met zijn vader en hoe in Turkije een volkswijsheid perfect deze intermenselijke relatie beschrijft:
“Op je vijfde denk je: mijn vader speelt en lacht met mij als een kind. Hij is net als ik.
Op je tiende besef je: mijn vader is niet als ik. Hij is sterker en groter en weet meer. Hij is een held.
Op je vijftiende vraag je je af of je vader wel alleswetend is.
Op je twintigste weet je het zeker: wat weet mijn pa nu echt? Ik ben veel slimmer.
Op je vijfentwintigste besef je dat je vader maar een loser is. Jij gaat het maken.
Op je dertigste denk je wel eens: zou ik het niet eens aan mijn vader vragen? Misschien weet hij het wel beter. Hij heeft per slot van rekening meer ervaring.
Op je vijfendertigste ga je regelmatig bij je vader op bezoek, omdat het per slot van rekening je vader is.
Op je veertigste besef je: vaders zijn als platanen: ze worden niet gewaardeerd om hun vruchten, maar wel omdat ze je een immense schaduw kunnen bieden als je die nodig hebt.
En dan gaat je vader heen, in stilte.”

Voor die stilte valt, zal ik – en vele gescheiden vaders met mij – mij moeten neerleggen bij de feiten, zoals deze werden omschreven in een Leuvens onderzoek van 2011: van alle kinderen die hun ouders uit elkaar zien gaan, wil 55 procent liever bij hun mama blijven wonen. Een derde verkiest co-ouderschap. Slechts 11 procent kiest resoluut voor de papa, maar daar hoorden mijn zonen niet bij.

Als deel van mijn verwerkingsproces begon ik mijn verhaal met anderen te delen en steeds meer kwam ik papa’s tegen die hetzelfde hadden meegemaakt. Sommigen probeerden de onrechtvaardigheid die hen was aangedaan op gerechtelijke wijze te bevechten, anderen legden zich neer bij hun lot, maar veel verschil maakte het niet. Mijn grootste wijsheid en tegelijk mijn grootste pijn vandaag is dat ik besef dat ouderdomswijsheid niet overdraagbaar is. Als we onze puberopstoot van testosteron of oestrogeen krijgen, weten we het beter dan onze ouders en als later al onze hormonenspiegels zich weer van ons afkeren, weten we het niet meer.

Na een lange dag van spelen met haar Sinterklaasgeschenken, leg ik mijn dochter te slapen. Pipi doen, tanden poetsen, een verhaaltje en naar bed. Dat ze die dag genoten heeft, merk ik meteen. Ze knuffelt me onstuimiger dan anders en besluit met de woorden: “Jij bent een goede papa.” Genieten van het moment, denk ik, want op een mooie pinksterdag laat ze me alleen en dat hoeft niet altijd op een prettige manier.

Stef Swinnen (1963) is vader van een samengesteld gezin met zeven kinderen. Zijn volledige professionele loopbaan staat in het teken van de media en de communicatie en als schrijver vulde hij honderden web-, magazine- en krantenpagina’s. Hij is professioneel bachelor, maar leerde het meest aan de universiteit van het leven. stef.swinnen1@telenet.be

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Basic HTML is allowed. Your email address will not be published.

Subscribe to this comment feed via RSS

%d bloggers liken dit: